Loading
 
 
sandrasmets.nl / varia / van fabriek tot sculptuur
Van fabriek tot sculptuur
(NRC Handelsblad, 18 juni 2010)

Volkomen idioot", stelde de architect Ronald Hooft eerder dit jaar in het tv-programma Kunstuur van de Avro. Hij had net uiteengezet hoe moeilijk het is om je in Nederland te ontfermen over modernistisch erfgoed uit de vorige eeuw. Bureaucratie, grillige gemeentepolitiek en milieu-eisen maken het onmogelijk voor architecten om reddingsplannen te maken voor soms prachtige panden die anders toch maar verder instorten. Twee voorstellen ketsten af om een tramremise in Amsterdam tot cultureel centrum om te bouwen en prachtige fabrieken op het Hembrugterrein nabij Schiphol blijken onbruikbaar wegens regels rond vervuiling.

Hooft is niet de enige die er zo over denkt. Ook vermogende particulieren en ondernemers ontdekken geregeld vervallen kantoorpanden of fabrieken en zien een droom - hotel, nachtclub, conferentieoord, privéwoning. Maar ook zij haken na jaren plannen toch af. Het gaat om de vele functionele gebouwen die vooral vorige eeuw - vaak tijdens de wederopbouw - zijn verrezen en niet meer aan eisen van nu voldoen (fabrieken zijn gebaseerd op oude productietechnieken, kantoren zijn te klein). De enigen die vrij spel hebben met deze fabrieken, zijn de elementen. En met een open dak boven roestgevoelige balken is het slechts een kwestie van tijd totdat de toekomst van zo'n gebouw geen twijfel meer lijdt: dan is sloop onomkeerbaar.

Maar sinds kort is er nog een club professionals die zich met dit erfgoed bemoeit: de beeldend kunstenaars. Voor hen heeft het verval juist ook een zekere charme. Dat is niet vreemd want in de fotografie en schilderkunst is het sinds een paar jaar mode om de kille keerzijde van onze goed georganiseerde wereld te portretteren: vergeten non-plekken, in onbruik geraakte fabrieken, afbraakwijken, grauwbouw.

Tegenwoordig ontwikkelen kunstenaars serieuze voorstellen voor hergebruik van erfgoed. Bijvoorbeeld Melle Smets (geen familie). In december stuurde deze kunstenaar zijn relaties per post een überromantische kaart, die bij nadere inspectie geen kerstkaart bleek te zijn. De voorkant toonde een havengezicht tegen sfeervolle avondluchten, hyperrealistisch nageschilderd in olieverf, en bedekt met klassieke sculpturen. De achterkant verraadde dat dit een verkapte maar serieuze poging was om een kunstproject in de markt te zetten.

Smets had zich bekommerd om de fabriekspanden van een Amsterdams wijnopslagbedrijf. Hij stelde voor om de dakranden van de silo's te versieren met klassieke sculpturen. Op zijn olieverfschets sorteert dat een grandioos effect. Het plaatje doet denken aan de Engelenburcht in Rome of het mausoleum van Halicarnassos. Dit is geen fabriek meer - het is kunst, drama, een visioen uit een andere tijd en realiteit. In de haven zijn ze wildenthousiast over de schets, mailt Smets desgevraagd. Maar net als veel architecten loopt ook hij tegen uitvoeringsproblemen aan, zoals financiële en beveiligingseisen. Dit jaar zal vermoedelijk leren of het plan gerealiseerd wordt.

Meer kunstenaars proberen betonnen restanten uit de vorige eeuw om te toveren tot kerstplaatjes die het hele jaar meegaan. In Rotterdam-Zuid ontwikkelt kunstenaar Kamiel Verschuren plannen voor een beeldenpark met onder meer de maskers van het oude Zuidpleintheater. Deze enorme reliëfs uit de wederopbouwtijd werden een paar jaar geleden gevonden in een weiland nabij Dordrecht. Niemand weet hoe ze daar terecht zijn gekomen, maar de verdwijnactie geeft wel aan hoe sommigen met het modernistisch erfgoed in hun maag zitten. In Dordrecht zelf organiseerden vorig jaar kunstenaars exposities en voorstellingen in de oude energiehal in stadsdeel de Werven, in de hoop zo dit inmiddels nutteloze pand voor sloop te behoeden.

Smets heeft ernstige twijfels of zijn voorstel doorgang kan vinden - dat komt door veiligheid, onderhoud en dat soort praktische punten. Toch zijn dat soort eisen bij beeldende kunst lager dan bij architectonische plannen. Dat zou het de kunst gemakkelijker moeten maken. De Rotterdamse deelgemeente Hoogvliet, na de oorlog gebouwd en nu opnieuw vol bouwputten, bewees dat door drie jaar geleden met minimale middelen een 'folly'-achtige ruïne op te tuigen. Een berucht flatgebouw werd tegen de vlakte gegooid en de deelgemeente besloot om de fundamenten ervan in tact te laten. Een kunstenaar maakte een lichtplan om de grillige bakstenen muurtjes dramatisch aan te lichten. Dit spectaculaire ruïnelandschap hielp de bevolking om de transitie van hun woonwijk te accepteren.

En zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Philippe van Wolputte ontfermde zich in Rotterdam over de afgedankte sculpturen van het oude Centraal Station die daar naast de bouwput staan. Hij bouwde er een huisje van, waar zwervers hem dankbaar voor zijn. Rob Birza bekroonde in Tilburg een oude fabriek met een lichtgevende sculptuur, die de schoorsteen omtoverde tot een baken voor de wijk.

De Fransman Cyprien Gaillard groef vorig jaar een bunker op in Scheveningen, om te laten zien dat 'sublieme' donkere schoonheid niet voorbehouden is aan oude romantische prenten van Piranesi. Tegelijk exposeerde hij in kunstcentrum Stroom foto's van een grindpad, dat bestond uit vermalen naoorlogse bouwkunst. Het Rotterdamse Stadslab deed ook zo'n suggestie om van het overschot naoorlogse kunst af te komen. Wandelpaden zetten, net als het park van Verschuren, aan tot flaneren - dat niet voor niets is uitgevonden in de negentiende eeuw op het breukvlak tussen Romantiek en moderne tijd. Flaneren past in de moderne vrijetijdsbesteding en biedt een ideale manier om stil te staan bij het verleden.

Het is hoopgevend om te zien hoe deze generatie kunstenaars, veelal twintigers en dertigers, zich opwerpt als schatbewaarders van het moderne stadslandschap. Ze zijn een type 21-eeuwse kunstenaars die het target-denken van planologen proberen op te rekken tot een bredere visie. Hun voorstellen zijn bruikbaar en publieksvriendelijk: ze brengen de romantiek van Rome en van het Parijse Père Lachaise naar onverwachte plekken in het nuchtere Nederland. Bovendien zou het economisch tij een voordeel moeten kunnen zijn nu bouwplannen veelal in de ijskast staan. Velen beschouwen door de recessie het investeren in nieuwbouw, met name het bouwen van fallisch hoge torens als iconen, ongepast. Beeldende kunst kan een ander soort landmarks bieden, waarbij functionele eisen relatief laag zijn. Ze zijn immers alleen om naar te kijken.

In architectuurkringen is veel te doen rond het twintigste-eeuwse modernisme. Deze beweging heeft in Nederland nog grote fans: steeds meer moderne panden worden op monumentenlijsten geplaatst en hele woonwijken als het Rotterdamse Pendrecht en Vreewijk worden als een soort beschermde stadsgezichten gerenoveerd. Maar in het buitenland ligt het modernisme flink onder vuur, vooral sinds de rellen in de Parijse banlieues: de architectuur zou er de oorzaak zijn van boze burgers en autobranden. Die discussie komt naar Nederland. De nieuwe hoogleraar Vincent van Rossem stelde afgelopen maart in zijn oratie, getiteld 'Stedenschennis', dat de modernisten grote schade hebben toegebracht aan onze steden. Pak er maar een lijstje Vogelaarwijken bij: daarop staan vooral de na-oorlogse woonwijken in de grote steden, de toen geroemde toonbeelden van het Nieuwe Bouwen.

De Grieks-Australische theoreticus Nikos Salingaros wijt de vermeende vergissing aan de simplistische opvatting van de modernisten over geometrie. Zelf mathematicus beargumenteert hij tot achter de komma hoe de avant-gardistische liefde voor vierkanten en eenvoud vorige eeuw een mensonvriendelijke stedenbouw heeft opgeleverd. Als we zijn theorieën over fractalen en veelvormigheid van wiskunde even heel globaal samenvatten als een pleidooi voor ornamentiek, menselijkheid, liefde en sfeer, dan zou juist de beeldende kunst deze geschiedenis moeten kunnen redden. Met een romantische blik, gevoel voor schoonheid met een tikkeltje drama, kunnen kunstenaars net dat extra's toevoegen dat de übersteriele kilte van het modernisme wegneemt. Van een kille leefomgeving wordt functionalistische architectuur een visuele traktatie.

Smets' fabrieksplan zit in de ijskast, wel heeft hij onlangs elders in Amsterdam iets vergelijkbaars gerealiseerd: een Giereneiland. Op een dukdalf in de Westhaven plaatste hij sculpturen van gieren die het gebied veranderen in een romantisch landschap. Het havengebied is gedateerd, stelt Smets. Door het via een kunstingreep te veranderen in een moderne ruïne, wil hij dit erfgoed herdenken en behouden.

Hoe meer de bedrijvigheid wegvalt in het havengebied, hoe dramatischer het effect van de gieren op de kale watervlakte. Bekend van westerns als symbolen van de dood, geven ze deze voorheen functionele omgeving een totaal nieuwe lading. Precies wat kunst moet doen. Nu maar hopen dat meer beslissers, mensen met macht, gaan inzien dat in dit klimaat dit soort ideeën te realiseren is. En hopen dat dat gebeurt voordat de economie aantrekt en de wereld weer nuttig, zakelijk en praktisch wordt.

 

sandrasmets.nl / varia / van fabriek tot sculptuur