Loading
 
 
sandrasmets.nl / varia / botenbouwers
Verbeter de wereld, begin op zee
(NRC Handelsblad, 14 mei 2010)

Voor het Autodidactisch Front, een groepje jonge kunstenaars, zijn kunst en leven één. Met een eigenhandig gerestaureerde boot willen ze de zee op. Daarmee passen ze in een lange traditie van activistische en varende kunstenaars.

 

De Rotterdamse Landenbuurt is een rustige, doodgewone woonwijk in de Rotterdamse deelgemeente Delfshaven. De wijk ligt tussen het Marconiplein en Schiedam, naast het fameuze Witte Dorp van Stijl-architect Oud. Zelf is de Landenbuurt bouwkundig minder opzienbarend. Het bestaat uit lange rijen portiekwoningen van drie à vier verdiepingen hoog, die zo rond 1940 gebouwd zijn. De straten, vernoemd naar Europese landen, zijn wat opgevrolijkt met metalen vlaggetjes onder de straatnaambordjes.

Ook in andere opzichten is over de Landenbuurt niet veel spectaculairs te melden. Vroeger werden in deze wijk officiële rijksvaccins gemaakt tegen dierenziekten. En een veterinair arts die hier werkte, schijnt Koningin Wilhelmina destijds te hebben geholpen toen het haar niet lukte om kinderen te krijgen. Maar dat is allemaal al even terug. Andere delen van Delfshaven komen nog wel eens in het nieuws wegens drugsoverlast of andere grotestadsproblematiek, maar de Landenbuurt niet. Hier gebeurt nooit iets. Althans, niet in het zicht.

Toch is juist hier, achter een van deze vele identieke huizenblokken, in door Gamma-schuttingen afgeschermde tuintjes, de laatste maanden gewerkt aan een kunstwerk dat de wereldzeeën moet gaan veroveren. Het Autodidactisch Front, een klein groepje Rotterdamse kunstenaars, restaureert er een grote boot. Deze kregen ze aangeboden van een bekende, die daarbij waarschuwde voor de staat van de romp. Er zat een gat van vijf meter doorsnee in. "Geeft niets, hebben we wat te doen," zeiden de kunstenaars, die het werkstuk met een kraan en veel spektakel in het achtertuintje lieten plaatsen. Dankzij de straatnaam, Russische straat, hoefden ze ook niet na te denken over een bestemming. Zodra de boot zeewaardig is, kiezen ze het ruime sop richting Rusland, het grote avontuur tegemoet.

Het bouwen van een boot past in de levenskunstfilosofie van deze nog piepjonge kunstenaars - vorig jaar verlieten de meesten van hen de Willem de Kooning Academie (erg autodidactisch zijn ze dus ook niet). Hun gezamenlijke afstudeerpresentatie bestond uit de oprichting van een eigen uitgeverij en uit plannen voor een autodidactische fietswerkplaats, die uiteindelijk niet doorging. Een rode draad in hun optimistische werk is het vormgeven van het leven. Na de zomer opende het Front een postkantoor: iedereen die een brief inlevert, mits met mooie zelfgemaakte postzegel, krijgt de garantie dat de brief persoonlijk wordt afgeleverd bij de geadresseerde. Misschien kan die boot daar straks ook nog bij helpen.

Boten spreken veel tot de verbeelding, niet alleen bij zeilmeisjes maar ook bij kunstenaars. Het anker lichten, koers bepalen, de elementen trotseren - beschrijf een boottocht en je hebt al tal van metaforen voor een eigengereide levensloop vol avontuur. Afgelopen zomer vond nog een groot bootproject plaats: een groep jonge kunstenaars studeerde in Groningen af aan de Minerva Academie met een gezamenlijk project. Eerst bouwden ze een dorp in een weiland maar dat werd in brand gestoken. Niet snel uit het veld geslagen, bouwden ze vervolgens samen een boot.

Net als hun Rotterdamse leeftijdsgenoten wilden ook de Groningers kunst en leven versmelten. Wie welk deel van de boot had gebouwd, verklapten ze niet. Het ging om het samenwerken, niet om het ego. Gekleed in zelfgemaakte zeemanskleding voeren ze boot de stad door, gingen daarop kippen houden, frieten bakken voor passanten, muziek maken op zelfgemaakte instrumenten. Eén van hen zou naar Brazilië gaan om de Amazone op te varen, de rest wilde zo snel mogelijk naar Frankrijk vertrekken om een festival te improviseren. Daarmee zouden ze geld inzamelen voor hulpbehoevende kamelen. Maar dat werd afgeblazen.

Deze kunstacties staan niet op zich. In de afgelopen honderd jaar is de botenbouwende kunstenaar een terugkerend fenomeen geweest, dat zich doorgaans onttrekt aan het zicht van het grote publiek en ook van veel kunsthistorici. Avontuurlijke levenskunst schuwt vaak de massa, het systeem en de media. Zo hebt u nog nooit gehoord van de zeevarende avonturier Arthur Cravan, toch een buitengewoon boeiende kunstenaar en dichter. Met tal van pseudoniemen, valse paspoorten en oplichterij verplaatste hij zich een eeuw geleden over de wereld. Rond 1910 begaf hij zich in de Parijse kunstkringen waar hij zich als kunstcriticus zeer gehaat maakte onder de avant-gardes. Hij is wel eens door een groep boze kunstenaars op een straathoek opgewacht en in elkaar geslagen.

Toch was Cravan een goede vriend van andere kunstenaars, zoals Duchamp en Picabia. Duchamp noemde hem 'de ziel van Dada'. Dat sloeg op Cravans criminele inslag, zijn landloperij, luidruchtige dronkenschap, en scandaleuze optredens in de kunstwereld. Volgens de stripbiografie 'Arthur Cravan - Mystery Man of the Twentieth Century' zou Cravan wellicht het pseudoniem R. Mutt hebben gebruikt en de echte maker zijn geweest van Duchamps roemruchte urinoir dat deze handtekening droeg. In elk geval sprak Cravan een lezing uit bij de opening van de tentoonstelling in 1917 waar het urinoir voor het eerst zou worden geëxposeerd. Een lezing die zo onfatsoenlijk was dat de spreker van het podium werd verwijderd. Uiteindelijk vluchtte Cravan in 1918 voor de autoriteiten door de boot te nemen naar Mexico, waarna hij spoorloos verdween. Ondanks historisch onderzoek blijft mysterie zijn persoon omringen.

Ook is het mistig gestemd met de vermeende bootavonturen van Cravans kompanen Duchamp en Picabia. Volgens het boek 'Dada uit de koffer' van de Spanjaard Enrique Vila-Matas behoorden zij tot een kunstenaarsgenootschap, het Collectief der draagbaren, waarvan de leden niets meer mochten bezitten dan wat in een koffer paste, zodat ze nergens verankerd waren en altijd erop uit konden trekken - de liefde, het noodlot of wat dan ook tegemoet reizen. Picabia zou een openbaring hebben gehad: de Afrikaanse stad Port Actif klonk bijna synoniem met 'portatif', draagbaar! Een dag later zaten hij en zijn Surrealistenvrienden op de boot. Eenmaal in Port Actif vestigden ze zich in de plaatselijke kroeg, er helemaal klaar voor om nieuwe tekenen te ontvangen en het onbekende te omarmen. Waarschijnlijk sloeg behalve het onbekende vooral verveling toe en keerden ze teleurgesteld terug naar Europa.

Vila-Matas vertelt nog meer fantastische verhalen, vol opiumwalmen, over hoe Max Ernst en Paul Klee meereisden op een onderzeeër van een Georgische prins, wiens vorstenhuis - zoals zo vele -was afgeschaft in het toenmalige Europa van revoluties en oorlogen. Toen dit boek dertien jaar geleden verscheen, werd het door de pers afgedaan als vermakelijke nonsens. Inderdaad zit het vol onwaarheden, maar nonsens is te kort door de bocht. Dit waren de 'bandeloze en uitzinnige helden van de verloren strijd die het leven is', schreef Vila-Matas terecht.

De parallellen met zeevarende en botenbouwende kunstenaars van nu liggen voor de hand. Ook zij zijn jong en verheffen hun leven tot kunst door het toeval te verwelkomen - een anagram van een Afrikaanse stad, een straatnaam in de Landenbuurt, of een verhaal over zielige kamelen in Oost-Europa. En wie een beetje de kunstgeschiedenis induikt, ontdekt de ene botenbouwer na de andere. Vooral in de jaren zestig en zeventig deden boten het goed. In Amsterdam woonde anti-rookmagiër Robert Jasper Grootveld, die na enkele grote zeereizen als hutbediende kunstenaar werd en vlotten ging bouwen. In deze Provowereldhoofdstad vestigde zich ook de Amerikaanse kunstenaar Viktor IV. 'Who needs the Pacific Ocean' schreef hij op zijn woonboot, een oud vrachtschip in de Amstel. Dit schip, omringd door allerlei bizarre aanbouwsels en vlotten vol planten en dieren, was het gesamtkunstwerk van zijn leven. Hier schreef en tekende hij zijn logboeken en ontwierp hij zijn absurde klokken met een eigen tijdssysteem, tot hij in 1986 in de Amstel verdronk.

De jonge avonturier Bas Jan Ader besloot na enkele grote zeereizen kunstenaar te worden en videoperformances te maken over spanning en noodlot. In 1975 voer Ader met een bootje de zee op om niet meer terug te keren - drieëndertig jaar oud, twee jaar ouder dan Cravan. "De zee, het land, de kunstenaar heeft veel verdriet. Wetend dat ook zij niet meer zullen zijn," is een melancholische uitspraak van Ader die klinkt als Picabia's "tussen mijn hand en hoofd, staat altijd de figuur van de dood".

Aders melancholie is niet te vergelijken met de losgeslagenheid van radicalen als Cravan en Picabia die, zoals andere kunstenaars uit het Interbellum, de gevestigde orde omver wilden werpen. Ook in de jaren zeventig was de kunst volop in beweging. Performance- en conceptuele kunstenaars stellen daden en ideeën synoniem met de kern van kunst - zodat een daad als wegvaren een kunstwerk werd. Tegelijkertijd waarschuwden de Situationisten voor het gevaar dat de media alle cultuur al kant-en-klaar vertier voor de massa opdienen. Dat gevaar kon je als kunstenaar alleen ontduiken via kluizenaarschap, vrije liefde, dronkenschap en een vergeetachtig en vluchtig leven. Ook vanuit die filosofie is wegvaren een oplossing.

Maar ook die tijden gingen voorbij. Kunstenaars van nu willen niet meer het systeem omver werpen, maar schoonheid creëren en interactie. Gebaande paden benutten ze waar het ze uitkomt. De Groningers werken met vergunningen en de Rotterdammers zoeken contact met kunstinstellingen (maar reageerden niet op verzoeken om met deze krant te praten). "Concrete poëzie", zegt academiedocent en kunstenaar Rolf Engelen over zijn pupillen van het Autodidactisch Front. Zelf opereerde hij op enigszins vergelijkbare wijze in de Landenbuurt. Hij maakte in opdracht een kunstwerk in de openbare ruimte waarbij hij een boekje produceerde in een oplage van vijf. Het was bedoeld voor een jongetje dat daar woonde en door een dominante vader werd geterroriseerd. "Als kunst iets kan betekenen, dan is het misschien troost en schoonheid," zegt Engelen.

Zoals Engelen met zijn geschenk het leven van een kind iets hoopt te verlichten, wil het Autodidactisch Front door een boot, postkantoor of fietswerkplaats contact tussen grotestadsbewoners laten groeien. Via het bouwen ontstaan verhalen, contacten, en groeit het kunstwerk in de Landenbuurt tot iets dat mensen bindt.

Eind jaren negentig kreeg Tadashi Kawamata een kunstopdracht van een verslaafdenkliniek die zich ergens buiten bij Alkmaar bevond. Hij had te doen met de verslaafden die zo uit het zicht van de rest van de mensheid moesten blijven en motiveerde hen om samen met hem een boot te bouwen. Dat deden ze en toen de boot af was, vertrokken ze samen, de maatschappij in.

Enkele maanden geleden werd bekend dat kunstenaar Ahmet Ögüt - met subsidie van het Fonds BKVB - Bas Jan Aders boot heeft nagebouwd en dat deze nu, een stuk veiliger, over het IJ vaart bij de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord.

Het avontuur in de kunst is nu volledig geaccepteerd. Het past in een ideaalbeeld van artistieke vrijheid en individualiteit dat de Nederlandse kunstsubsidiënten hoog willen houden. Maar dit soort avontuurlijke kunst kan dus ook op een verrassende manier maatschappelijk betrokken zijn. Geëngageerde kunst die in opdracht of door subsidies mogelijk wordt gemaakt, wordt vaak weggezet als dienstbaar en inferieur. Maar Nederland heeft juist een mooie traditie om kunst in te zetten bij het verbeteren van de wereld zonder dat deze kunst ophoudt met dromen.

Mischien is dat nog wel de mooiste les van deze kunstgeschiedenis van zeevaarders en botenbouwers: hoe avontuurlijke kunst past in een anarchistische avant-garde maar ook via het kunstsysteem onze wereld nu probeert te verbeteren. Zelfs al zult u er misschien nooit meer iets van horen.

sandrasmets.nl / varia / botenbouwers