Loading
 
 
sandrasmets.nl / tekeningen / bactrius
Bram Hermens Bactrius in het Van Abbemuseum
(Uitgave Lecturis, januari 2012)

Zou Bactrië een rustiger geschiedenis hebben gekend als Alexander de Grote er nooit was geweest? Misschien wel. In 329 voor Christus trok de Grieks-Macedonische wereldheerser, een van de eerste grote kolonialisten, met zijn legers door Bactrië. Terwijl zijn legers volk na volk onderwierpen, hadden de klassieke kunsten in zijn vaderland zich ontwikkeld tot het meer barokke en triomfantelijke Hellenisme. Kunstenaars overtroffen elkaar in virtuositeit met een kunst die steeds rijker, wulpser en dramatischer werd. Deze kunst, als symbool van de Griekse democratie, werd door Alexander meegenomen naar de uithoeken van zijn jonge rijk om de nieuwe heerschappij te bevestigen. Sindsdien geldt deze cultuur als bakermat van de westerse beschaving. Alexander stierf jong maar de doos van Pandora was geopend. Bactrië bleef een strijdtoneel, met als verschil dat het tegenwoordig een andere naam draagt: Afghanistan.

Om de nabijheid van dat verleden te benadrukken, gaf Bram Hermens zijn nieuwste kunstwerk over Afghanistan de titel 'Bactrius'. Het is een muurtekening in een onvervalst epische traditie, die van grootse, uitvoerige, dramatisch uitgesponnen heldendichten, vol symboliek, als mythische verdichting van de ons omringende wereld. Afghanistan als strijdtoneel is dichterbij dan we denken, stelt Hermens. Hij voert in 'Bactrius' de strijdende krachten ten tonele die Afghanistan en de rest van de wereld bezighouden sinds antieke heersers besloten dat de horizon niet genoeg was. Of, zoals de sombere wijsgeer Heraclitus zei, een van Hermens favoriete auteurs: de strijd is de vader van alle dingen.

Zonder strijd en twist ontstaat niets, stelt Heraclitus, iets wat in elk geval geldt voor dit oorlogswerk van Hermens. Het begon allemaal in 2009. In Galerie Peninsula exposeerde Hermens een tweeluik over Afghanistan in relatie tot de klassieke geschiedenis. Hij raakte er in gesprek met Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum, waar net plannen waren ontwikkeld voor een nieuwe projectruimte: het Oog. Dat zou een half open ruimte worden, zonder dak, maar wel achter glas. Esche nodigde Hermens uit om een vervolg te maken op dit Afghaanse thema.

“Maar ook die uitnodiging leverde twist op,” vertelt Hermens in het Oog, waar hij behendig van een steiger af klimt. Met een sikje, spijkerbroek, zwarte trui en cowboylaarzen steekt hij sober af tegen het decadente oorlogstoneel achter hem. “Mijn stijl zorgt voor discussie. Sommige mensen uit de kunstwereld hebben moeite met de klassieke beeldtaal die ik gebruik,” vertelt hij. “Die heeft in de geschiedenis een nare bijsmaak gekregen. Het verstarde in het negentiende-eeuwse academisme, waarna Hollywood het verder vercorrumpeerde. En vooral is het beladen doordat fascistische en communistische dictaturen het gingen misbruiken als propagandamiddel.” Juist vanwege die beladenheid vindt Hermens deze stijl zo fundamenteel. “Ik wil kijken wat ik ermee kan zonder in clichés te belanden.”

Verschillende kunstenaars gingen Hermens voor in het Oog tot ook hij een definitieve toezegging kreeg. Toen hij daar eenmaal begon, bleek zijn werk bij veel passanten in het museum in de smaak te vallen. Vooral jongeren staan met open mond te kijken. “Die komen met allerlei associaties, van Tolkien tot het holisme,” merkt Hermens tot zijn verbazing - zelf meer een Vergiliuslezer. Achter de glazen wand in het museum was de werksituatie totaal anders dan in het atelier. “Als je hier faalt, dan ziet iedereen dat...” Toch beletten zijn zenuwen hem niet om elke dag opnieuw op de muur af te stappen en er onbeweeglijk, in opperste concentratie, met houtskool en contépotlood streepje na streepje te zetten.

Maanden stond hij zo te tekenen, fijntjes en voorzichtig, met zijn neus op de muur, alles uit het hoofd, zonder het geheel te kunnen overzien. Elke dag. Hij begon 's ochtends met een half uur te kijken hoe de compositie was gevorderd. Daarbij luisterde hij naar Wagner of Beethoven, of vaker nog naar een luister-cd met teksten over Nietzsche. Met een kop koffie ging Hermens in de ruimte zitten, die verder alleen een Perzisch tapijt bevatte en een tafel met inspiratiebronnen. Dat waren Indonesische zwaarden, een polyester tijgerschedel, een stenen lingam en een stapel boeken over oorlogsfotografie en over Hellenistische sculpturen.

Een bronzen beeld van een herdershond, geërfd van zijn grootouders, hield de wacht. Het keerde gepantserd in 'Bactrius' terug, in de frontlinies. Ook de andere inspiratiebronnen vertaalde Hermens naar de muur, waar hij elke ochtend de draad weer oppakte. Zo tekende hij silhouet op silhouet. Soms wiste hij iets uit, meestal liet hij de contouren zichtbaar onder nieuwe gestaltes, botsend of vervloeiend. De gestaltes volgen elkaar op zoals ook de geschiedenis dat doet: een chaotische opeenstapeling van incidenten, schepping en vernietiging. Ook 's avonds werkte het door. Altijd was Hermens in zijn hoofd met Bactrius bezig, non-stop.

Toen Hermens in september begon, startte hij in het midden van de muur. Daar tekende hij een Boeddhabeeld uit Bamyan, door de Taliban vernietigd maar in 'Bactrius' intact. Van daaruit wilde Hermens een apocalyptische scène in piramidevorm opbouwen. Maar al gauw doemden daarbinnen figuren op die een eigen leven gingen leiden, met onderlinge ritmiek en subcomposities, in verschillende stijlen. De contouren van wolken doen denken aan gravures, de helikopters zijn sculpturaler getekend, silhouetten lineair, personages plastisch, gewaden efemeer of weelderig gedetailleerd.

Achter het Boeddhabeeld liggen de Afghaanse grotten, rudimentair getekend als het onduidelijke wespennest dat ze volgens de media zijn geweest. In deze tekening verrijzen ze uit een woestijnlandschap dat de basis is van het panorama, neergezet in lijnen die ook water zouden kunnen zijn. “Panta rhei, alles stroomt,” zegt Hermens naar Heraclitus. Als een classicus bezigt de kunstenaar voortdurend antieke kreten die voor meeste mensen anno nu net zo ver weg zijn als Alexander de Grote, Mullah Omar, of koning Ahmad Shah Durrani – de hoofdpersonen die de afgelopen maanden Hermens' wereld kwamen bevolken.

Mullah Omar, de beruchte eenogige Talibanleider, staat ver van de boeddha vandaan – geheel links, in het Latijn 'sinister'. Hermens portretteerde hem tronend alsof hij nog altijd de machthebber is in Afghanistan – wat volgens sommigen ook zo is. Aan de rechterkant van het spectrum – dexter, rechtschapen – zetelt Ahmad Shah Durrani. Deze koning bracht in de achttiende eeuw vrede naar de Bactrische gebieden die hij verenigde, waardoor hij nu een bijna goddelijke status geniet. Hermens liet daarom een schaduw over zijn gezicht glijden, hem een anonieme superioriteit gevend. Beide leiders maken een bezwerend gebaar. Mullah Omar gebiedend, zijn messiaanse tegenhanger beschermend.

Tussen deze tegenpolen door trekken de legers langs: Romeinse legionairs, Alexandrijnse troepen, Amerikaanse militairen met mohawks als kammen op antieke helmen. Telkens herhalen daders en slachtoffers zich als in een ritmisch beeldrijm: een Afghaanse met een gedode baby naast een Pietà van een soldaat met een rouwdoek over het hoofd en een gedode Afghaanse. Deze christelijke thematiek zet zich voort in een gehangene, naar Talibangebruik geëxecuteerd met de westerse ondeugden waarvoor hij de doodstraf kreeg: een computer. Hij wordt van het schavot gehaald zoals Christus in de kruisafname van Rubens, die als slimme Vlaamse diplomaat een belangrijk pleitbezorger was van de contrareformatie. Daarmee is weer een cirkel rond, aangezien kunst al bij Alexander een politiek middel werd.

Deze chaos wordt gadegeslagen door een rugfiguur, traditioneel een schilderkunstig identificatiemiddel waarmee kijkers zich verplaatsen in een kunstwerk. In dit geval is het een Bijbelse vrouw, Maria of Maria Magdalena, zoals christelijke heiligen gehuld in lange sluiers die tegenwoordig worden geassocieerd met de Islam. Hermens zet haar gracieus en volumineus neer, omhuld door dunne stoffen, zoals hoe Hellenistische kunstenaars in de Alexandrijnse tijden elkaar probeerden te overtroeven.

Vanwege de magische kracht die uitgaat van symbolen, zijn de krijgsheren links en rechts omringd door tekenen van macht. Van zwaarden en mitrailleurs bouwde Hermens decoratieve elementen voor ze, de schoonheid van strijd verheerlijkend. In de hoek staat een vaas met een fasces, een takkenbundel met bijl uit het oude Rome dat als symbool in fascistische tijden herleefde, door Hermens opgebouwd uit Hellenistische ornamenten en moderne wapens. Tussen dit wapentuig en de leiders door laat Hermens dieren kruipen die sinds mensenheugenis symbool staan voor macht en expansie: leeuwen, Kaspische tijgers, slangen, rammen.

En vooral voert hij adelaars in allerlei gedaantes op, van de Romeinse aquila tot de Amerikaanse zeearend. Op de toegangsdeur is een adelaar gekruisigd, zoals Brabantse boeren uilen aan staldeuren spijkerden om bij veeziekten het kwaad af te wenden. Verderop triomfeert een aquila in een Romeinse banier met – voor de wel heel goede kijker – een dun silhouet van Mickey Mouse. Misschien is dat wel het beste symbool van de westerse cultuur waarvoor Amerikaanse legers oorlog voeren – tot in Afghanistan aan toe.


Er is veel, heel veel te zien in dit historiestuk dat voor Hermens zelf ook een manier is om het kwaad af te wenden. Dat begon toen hij negen jaar oud was, met een hele reeks tekeningen van de toen bedreigde witte neushoorn. Sindsdien is hij altijd blijven tekenen en die gewoonte lijkt meer van invloed op zijn werk dan de paar jaar kunstacademie die hij volgde in Tilburg. “Studenten werden er vooral gestimuleerd om een authentieke denkwijze te ontwikkelen. Daar had ik geen illusies over,” zegt hij droog. Maar dat betekent niet dat hij nog tekent met de naïviteit uit zijn jeugd. Gecombineerd met wat hij intussen over de geschiedenis en actualiteit weet, is het een manier om zijn wereldbeeld neer te zetten: de westerse wereld in ontbinding.

“De krachten en machthebbers die nu de loop der dingen in deze wereld bepalen, daar had geen antieke krijgsheer van durven dromen.” 'Bactrius' is voor Hermens niet enkel een portret van Afghanistan. De macht van China en India groeit, God is dood, het postmodernisme voorbij, zelfs de elementen zijn niet meer te vertrouwen. “Misschien zijn de opkomende oosterse culturen de nieuwe Goten, die de westerse wereldhegemonie nieuw leven in kunnen blazen. Het zijn voor mij allemaal redenen om te werken binnen een totaal eclecticisme.” Daarmee zoekt hij een manier om zichzelf te pantseren tegen de boze buitenwereld. Niet voor niets was kunst al een machtsmiddel in Alexanders tijd: tekenen is een magische aangelegenheid.

Waar antieke beeldhouwers elkaar de loef afstaken met een telkens onwaarschijnlijker technisch kunnen, heeft Hermens een andere concurrentie in de kunsten. Het is voor hem de uitdaging om uit die zo elementaire maar vaak gekopieerde beeldculturen iets nieuws te halen. Hij ziet zich als outsider. Zijn werkwijze lijkt niet op die van kunstenaars die hem voorgingen in het Oog, met installaties van letters en objecten. Zijn bezetenheid doet eerder denken aan Michelangelo, die in alle afzondering stond te schilderen op de steigers van toen. Maar waar Michelangelo vooral vloekte en tierde om dit eindeloze monnikenwerk, heeft Hermens geen enkele last van de ongebruikelijke arbeidsomstandigheden. “Ik krijg er discipline van,” zegt hij opgewekt over de temperaturen die in de open ruimte soms aardig richting vriespunt daalden. De twee warmtelampen die de technische dienst in de ruimte had geplaatst, heeft hij nooit aangezet. “Niet nodig”.

Hij plugde enkel de vochtvreters in die de luchtvochtigheid reguleerden na het zoveelste noodweer. “Het kon er soms heftig aan toe gaan,” geeft hij toe. “Dat gaf een heel theatraal effect.” Als regenwater verzakkingen veroorzaakte in het afdekzeil boven de ruimte, werden de zwakke plekken met latten gestut. “Dat leverde een ritmiek op die mooi past bij de tekening,” wijst Hermens. Hij moest enkel de technische dienst beloven om 'alsjeblieft' bij onweer van de steiger af te stappen, waarvan het materiaal weinig verschilt van het metaal van bliksemafleiders.

Honderden werkuren verder nadert het werk begin januari zijn voltooiing. Na maandenlang allerlei tradities aan elkaar te hebben geknoopt, moet Hermens zijn eindeloze brij associaties een halt toe roepen. Zowel om de kluwen niet te onontwarbaar te maken, als omdat eind januari een officiële onthulling in zicht komt. Daarna is het werk nog twee maanden te zien. Dan wordt het weggewit. Maar Hermens is niet van plan om in een zwart gat te vallen. Hij heeft een berg aan ideeën opgedaan – “iets met Hindoeïsme” – die hij wil gaan uitwerken de dag nadat hij zijn potloden in het Van Abbemuseum neerlegt. Hij gaat verder met klein werk, maar hoopt op grotere projecten. Één uitnodiging heeft hij al in zijn zak: onder de grootste enthousiastelingen in zijn publiek zat een Afghaanse museummedewerker, Shafiq Omar. Die nodigde hem uit om een muurtekening te maken in een overheidsgebouw in Afghanistan, dichter bij de haard.

Maar voor het zo ver is, moet eerst Bactrius verdwijnen. Daar hoeft niemand rouwig om te zijn, vindt Hermens, die van plan is om zelf de witkwast te hanteren: “Dit hoort bij een kunstwerk dat gaat over schepping en vernietiging. Het is als een cicade, die als een larf onder grond leeft, boven komt en sterft. Zo is het leven. Panta rhei.”

Meer info via: lecturis.nl waar de publicatie te koop is, en via bramhermens.nl. Het kunstwerk is t/m 25 maart 2012 te zien in het Van Abbemuseum.

sandrasmets.nl / tekeningen / bactrius