Loading
 
 
sandrasmets.nl / oude kunst / goya redon ensor
Goya, Redon, Ensor: de meesters van het groteske
(NRC Handelsblad, 7 april 2009)

Wat wij lelijk noemen, zijn details van een groots ontwerp dat ons begrip te boven gaat. Het groteske staat dichter bij ons dan enig ideaal." Met een lofzang op lelijkheden beschreef de Fransman Victor Hugo in 1827 de komst van de moderne tijd. Zijn tekst had volledig op het werk van zielsverwant Francisco Goya (1746-1828) kunnen slaan. Deze had net een serie tekeningen voltooid die hij 'dwaasheden' noemde. Het waren monsters die vrouwen ontvoerden, heksen die de organen uit kinderen zogen, duivels die dansten in het maanlicht.

Eind negentiende eeuw werd Goya echt 'ontdekt'. De Belgische kunstenaar James Ensor (1860-1949) schreef aan een vriend hoe Goya's prenten hem verpletterden tijdens een museumbezoek. De 'dwaasheden' waren van een verontrustende kracht die hem nog lang bijbleef. Ensor ging uit bewondering prenten van Goya natekenen en daarin was hij niet de enige. De Fransman Odilon Redon (1840-1916) ontdekte de Spaanse meester rond dezelfde tijd. Rubens kon Redon niet tot de groten rekenen, want die had niet geleden. Maar Goya.

Het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen wilde al langer deze drie 'meesters van het groteske' verenigen en besefte ineens dat het moest opschieten: volgend jaar sluit het museum wegens verbouwingen. In korte tijd is Goya, Redon, Ensor in elkaar gedraaid, maar die haast is niet aan de tentoonstelling af te zien. De catalogus geeft blijk van fiks kunsthistorisch onderzoek. Werken van de drie meesters hangen kriskras door elkaar in een volkomen vanzelfsprekendheid. Alledrie verbeeldden ze gruwelijkheden in zwartwit prentjes van een klein en heimelijk formaat, waardoor deze grote tentoonstelling (acht zalen) de intimiteit van kabinetjes behoudt.

Die air van heimelijkheid past bij het bekende idee dat Goya stiekem protestboodschappen in zijn kunst zou verwerken. Maar dat spreken de tentoonstellingsmakers tegen. Het verhaal gaat dat Goya als Spaanse hofschilder zijn opdrachtgevers te lelijk portretteerde, eigenlijk een antimonarchist was, en dat zijn echte opvattingen blijken uit zijn serie over de verschrikkingen van de oorlog. Niet waar, zeggen de curatoren. De koningin was nu eenmaal lelijk. En Goya hield van lelijkheden, net zoals Hugo dat deed. Een citaat van Hugo dat op de museummuren prijkt, stelt dat er wel duizend lelijkheden bestaan, tegenover slechts één universele schoonheid.

Goya en Hugo waren hun tijd vooruit. Beetje bij beetje werd het idee van één schoonheid in de loop van de negentiende eeuw afgebroken. De gothic novel van onder meer Edgar Allan Poe nam de schaamte weg om te genieten van narigheid. Zijn moordverhalen zijn in allerlei variaties getekend door Ensor en Redon. Zoals het verhaal over de gehandicapte hofnar die de vernederingen van zijn koning beu was. Toen de vorst tips vroeg voor carnavalskostuums, hielp de nar hem en zijn familie te verkleden als levensechte apen. Op het feest stak de nar hen hoogstpersoonlijk in brand. In felle penstrepen tekende Ensor een vlammend spektakel met fantastische feestgangers. Redon tekende een geestverschijning van een flikkerend gebit, naar een ander verhaal van Poe. Het ging over een aftakelende vrouw, wiens witte tanden een erotische aantrekking hadden op haar neef, die uiteindelijk haar graf plunderde om haar gebit bij zich te houden.

Maar natuurlijk lieten ze zich vooral inspireren door Goya. Ensors befaamde carnavalsparades echoën Goya's Venetiaanse maskerades met opgedofte feestgangers die zich onherkenbaar wanen en elk fatsoen laten varen. Het is moeilijk om daar niet toch een parodie in te zien op de hoge kringen waar Goya voor werkte. Ensor ging een stap verder. Zijn carnavalsgasten zijn nauwelijks menselijk meer, maar monsters en skeletten die elkaar martelen en opknopen.

Misschien dat Goya niet zo hard tegen schenen wilde schoppen, Ensor en Redon deden dat wel. Ensor stak de draak met de schoonheidsleer van de officiële kunstacademies. Hij merkte op dat de ene docent meer naar een Italiaanse stijl neigde, de ander meer richting het Vlaams coloriet. Als schoonheid dus subjectief is, dan mag lelijkheid toch ook?

Redons werk ziet er rustiger uit maar ook hij protesteerde tegen de gevestigde orde. Het gangbare Verlichtingsidee dat de wereld alleen uit verifieerbare feiten bestaat, vond hij te banaal. De wereld is wel mysterieus, zei hij, en zo verbeeldde hij een atheïstische spiritualiteit. Een vrouw met gesloten ogen, een embryonale geestverschijning, een fantasiefiguur in een kosmische draaikolk. Maar ook zijn spiritualiteit biedt geen verlossing - net zo min als die van Goya of Redon. Hun religieuze taferelen zitten vol met het sadistisch genot van de duivel die heiligen belaagt. En alle drie portretteerden zij lijdende Christussen die alleen pijn uitdrukken, zonder enige hoop op glorie. De keerzijde van kwaad is nog steeds zwart. En deze magnifieke tentoonstelling laat zien dat daar een verpletterende schoonheid in schuilt.

Tentoonstelling: Goya, Redon, Ensor, t/m 14 juni in het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, Leopold de Waelplaats, Antwerpen. Di-za 10-17u, zo 10-18u. Gesloten Pasen, Pinksteren en Hemelvaart. Inl.: +32(0)3 2387809 / www.kmska.be

sandrasmets.nl / oude kunst / goya redon ensor