Loading
 
 
sandrasmets.nl / oude kunst / edouard manet
Flirten door te schilderen
(NRC Handelsblad, 14 april 2011)

Manet kwam uit een gegoed milieu, maar door te schilderen wat hij zag en zoals hij het zag, schokte hij de burgerij. Die verafschuwde zijn hoerige vrouwen en onopgesmukte schoonheid. Musée d'Orsay toont zijn werk in een imposante oeuvretentoonstelling.

Wat waren de impressionisten teleurgesteld in 1874: Édouard Manet wilde niet meedoen aan hun tentoonstelling. Het was hun eerste grote tentoonstelling en Manet hoorde erbij, hij was hun voorbeeld. Een deserteur, noemde zijn vriend Degas hem boos. De impressionisten golden als radicaal, zoals ze vulgaire alledaagse onderwerpen – terrasjes, flaneurs, verkeer – verbeeldden in lichttoetsen. Daarin was Manet (1832-1883) hen voorgegaan en daarin zou hij hen volgen, want de bewondering was wederzijds. 

Maar van hun slechte naam hield liever afstand, hij kon niet tegen schandalen. Bovendien was hij geen  impressionist. Daarvoor wisselde zijn stijl te veel en daarvoor gebruikte hij te veel zwart – een zonde volgens impressionisten die enkel licht schilderden. Zwart licht bestaat niet. Maar Manet vond zwart zo  zinnelijk, in contrast met de bleke huid van de mensen die hij portretteerde. Een witte huid paste bij het schoonheidsideaal van stadslui die met parasols over boulevards bewogen. Het stak sensueel af tegen donkere verf. En hadden niet ook Rembrandt en Goya hun tijdgenoten in gedistingeerd zwart vereeuwigd? Was dat niet een veel betamelijker traditie om je mee te omgeven dan die controversiële impressionisten? 

Degas' boosheid was te begrijpen. Realisme en lichteffecten in een losse schildertoets, dat had Manet zo'n beetje uitgevonden. In 1868-69 schilderde hij Le Balcon: een Frans balkonnetje met daarop zijn muze Berthe Morisot, zelf een getalenteerd impressionistisch schilder die hij had ontmoet in het Louvre. Manet laat haar tegen het balkon hangen, wat een dame niet hoorde te doen. Naast haar stapt een vrouw het licht in waardoor haar gezicht plat lijkt. Half in het donker en half in het licht is een gezicht dimensieloos, dat had Manet goed gezien. Maar dan hoorde je dat nog niet zo te schilderen. 

Ook de rest van het doek was niet zoals het hoorde. Morisot hangt erbij als een verveeld nest, al heeft ze de broeierige blik waar Manet geen genoeg van kon krijgen. Achter de twee dames staat een man die kijkt alsof hij iets heel onbenulligs gaat zeggen. Communiceren doet het drietal niet. Het is te begrijpen dat Manets kijk wel eens ironisch is genoemd, maar dat is toch onterecht. Hij hield van het leven en zag geen reden om dat nog mooier te maken dan het al was – zeker met schoonheden als Morisot. Flirten door te schilderen – bij Manet ging dat vanzelf. 

Manet was een levensgenieter en zo schilderde hij. Hij hield van het mondaine Parijse leven. Hij hield van geparfumeerde soirees waar dames zoals Morisot in modieuze kleding vertoefden. Hij hield van de aristocratische verfijning waar de bourgeoisie naar streefde – de koppensnellerij van de Franse Revolutie was alweer lang geleden. Manet kleedde zich dandyesk: een kleine bebaarde man met diepliggende vurige ogen en een licht spottende mond. Zijn voorkomen was gedistingeerd en beleefd. Geen rebel. 

En als bewonderaar van schoonheid hield hij óók van de kunstgeschiedenis. Hij bewonderde Goya, Rembrandt, Raphael, Titiaan. De kunst en het leven, moesten die elkaar uitsluiten? Jazeker, vonden de kunstkenners. En daarin lag de onbegrepenheid van Manet. Modieuze elegantie was in het echte leven toonaangevend en in de kunst verboden. Manets realisme maakte hem een schandaalkunstenaar, iets wat hij maar moeilijk kon verkroppen. 

Morisot, die Manet bewonderde, was in tweestrijd over Le Balcon. Ze had er zo'n raar gezicht, schreef ze haar familie. Maar ook leek ze een femme fatale – dat vond ze wel wat. Misschien zag ze niet welk plechtig eerbetoon Manet haar bracht: haar portret entte hij op de befaamde Maja van Goya. Manet zou Morisot nog veel vaker schilderen, in veel gedaantes – elegant, modieus, sprankelend. Die doeken zijn heel anders dan het portret van Manets eigen vrouw, de Nederlandse Suzanne. Hij schilderde haar in een lichte toets, een zachte vrouw met een rustige blik. Het is liefdevol geschilderd, maar ze verbleekt bij de vurige Morisot. Hoe realistisch was het realisme van Manet? Als we zijn schilderijen mogen geloven, lijkt het alsof hij meer verliefd was op Morisot, die met zijn broer zou trouwen, dan op Suzanne. 

Je kunt ze nu vergelijken: Morisot en Suzanne hangen tegenover elkaar in het Parijse Musée d'Orsay. Daar opende vorige week een grote overzichtstentoonstelling gewijd aan Manet. Het draagt de ondertitel Inventeur du Moderne. Dat is weinig opzienbarend: Manet staat al decennia te boek als uitvinder van de moderne kunst. Maar dat geeft niets, liever een grandioze tentoonstelling dan een geforceerd thema. En grandioos is Manet zeker. Dit eerste grote retrospectief sinds 1983 is een thuiswedstrijd voor d'Orsay. Dat heeft zelf een grote collectie Manet, waaronder Déjeuner sur l'Herbe en Olympia. Destijds waren dat schandalen, nu zijn het plaatjes die in geen boek over moderne kunst mogen ontbreken. 

Manet werd geboren met een zilveren lepel in de mond. Zijn vader bekleedde een hoge positie in het ministerie van Justitie. Zijn moeder was een petekind van de koning van Zweden. Geboren in 1832 groeide hij op in politiek roerige tijden. Toch bleef de gegoede bourgeoisie waar Manet toe behoorde een stabiele wereld voor hem. Het lag in de lijn der verwachting dat hij rechten ging studeren, maar hij koos een carrière in de marine. Daar zakte hij voor zijn toelatingsexamen. Het revolutiejaar 1848 brak aan en in afwachting van zijn tweede examenpoging mocht hij mee op een trainingsschip naar Rio de Janeiro. Onderweg ging hij tekenen, bij terugkeer zakte hij opnieuw. Toen vonden zijn ouders het een goed idee dat hij kunstenaar werd. En zo geschiedde. De enige marine-ervaring die hij nog zou opdoen was het schilderen van een zeeslag, jaren later.

Manet ging studeren bij de toen bekende Parijse schilder Thomas Couture. Hij begon nederig met het kopiëren van meesters zoals Delacroix. Die werkjes hangen in d'Orsay, omringd door dat van tijdgenoten zoals Couture. Zo wil d'Orsay de traditionele wortels van Manet laten zien, die later nog wel eens verdoezeld zijn in pogingen hem radicaler te doen lijken. Manet bleef zes jaar bij Couture met wie hij steeds meer meningsverschillen had over de toelaatbaarheid van realisme. Later zou zijn leermeester hem zelfs  publiekelijk afvallen. 

Dat Manet veel had aan zijn traditionele leerschool blijkt uit zijn saloninzendingen. De Salon was het hoogste der hoogste. Deze prestigieuze tentoonstelling bepaalde wie goed was en wie niet. Manets salonstukken zijn gemakkelijk te herkennen: groter dan zijn andere werken, met traditionele composities die refereren aan de kunstgeschiedenis. De picknickscène van Le Déjeuner sur l'Herbe was geënt op Raphael, Olympia op generaties liggende naakten van Titiaans godinnen tot Ingres' haremvrouwen. 

Daarbij overtreedde Manet de gevaarlijke grens tussen naakt en bloot. Naakt is een natuurlijke staat voor Titianeske nimfen – net als aapjes zouden ze er in een jurk verkleed uitzien. Maar zet je een naakte vrouw naast geklede heren in een picknick, of trek je haar een schoentje aan, dan is ze ontkleed, vulgair. Het feit dat Manet in deze salonstukken de kunstgeschiedenis wilde eren, maakte zijn critici alleen maar bozer: wat een belediging voor de kunstgeschiedenis! En wat was dat model eigenlijk maar een scharminkel. 

Het belang van de Salon is moeilijk te onderschatten. Tegenwoordig is de kunstwereld verdeeld in tal van miniwereldjes. Binnen de musea, galeries, kunstenaarsplekken bestaan verschillende smaken en expositiemogelijkheden. In Manets tijd was de Salon leidend. De 'R' van refusé was dodelijk voor je marktpositie. Een rel brak uit toen de Salon in 1863 wel heel veel schilderijen weigerde (3000 van de 5000 inzendingen). Napoleon III stelde toen hoogstpersoonlijk een Salon des Refusés in (waarop het geweigerde Déjeuner sur l'Herbe alsnog een schandaal werd). Al kon deelname aan de Salon ook tegenvallen. In 1875, een jaar nadat hij de grote impressionistenshow had ontweken, toonde Manet op de Salon Argenteuil waarop critici hem alsnog boos aanwezen als leider van de impressionisten.  

Boze kritieken leverden hem weer bijval op van vrienden – Monet, Degas, Baudelaire en Zola. Die laatste schreef een tekst waarin hij Manet bejubelde als zo veel beter dan die verwijfde Cabanel en consorten. Hij beschreef Manet als een man die wel moest schilderen, door passie gedreven: “in de klauwen gevallen van die grote courtisane, de schilderkunst, die altijd nieuw mannenvlees eist.” Kunst van zulke 'gedwongen kunstenaars' zou in de moderne tijd gelden als authentieker. Het lijkt bijna alsof Zola met zijn vleselijke (zij het vrouwonvriendelijke) metaforen vooruit liep op moderne kunstopvattingen over het doek als autonoom object. Manet weigerde de tekst: hij wilde beeldhouwer Cabanel niet ontrieven. Toen heeft Zola de tekst op eigen houtje uitgegeven – met een werk van Manet op de voorzijde. 

Tegenslagen of niet, Manet schilderde door. Zijn tentoonstelling in d'Orsay waaiert enthousiast alle kanten uit – treinen, monniken, kruisafleggingen, zigeunerinnen en lieve jongetjes (net geen traan), een enkel spotprentje. Dat alles schilderde hij soms meer klassiek, soms meer impressionistisch. Zijn portret van Monet lijkt een impressionistische grap: tussen hoed en baard zit enkel een grote vlek. Hij maakte veel stillevens – naar eerbiedwaardige tradities. Vooral haalde hij zijn kunsthistorisch vernuft van stal in 1871 tijdens de Parijse commune. Manet is diep geschokt hoe burgers midden op straat worden geëxecuteerd. Hij tekende rugfiguren (een vereenzelvigingstruc die kijkers het doek in sleept), gaf de pelotons iets machinaals, gebruikte de executie van Maximiliaan als prefiguratie (een visuele voorbode, zoals Adam de prefiguratie van Christus is). Zo gaf Manet de burger heroïek, een plek in de kunstgeschiedenis. Kunst als wapen. Niet gek voor een gesjeesde marineofficier. 

Vergeleken met andere kunstenaars had Manet geen slecht leven. Welstand, vrienden, familie, en levenslust die van zijn werk afspat. Daarin vallen vooral de vele vrouwen op. Zomers en wuft, naakt of gekleed, symboliseren ze het moderne leven. Het is een wereld van verschil met Ingres, die door zijn geschilderde haremvrouwen dé vrouwenschilder van de negentiende eeuw was. Volgens een recente theorie (van Fatema Mernissi) waren Ingres' seksslavinnen ingegeven door vrouwenangst – een angst die meer kunst en kunstenaarslevens beïnvloedde. Ook daarin was Manet anders. Zijn vrouwen hoefden niet onderdanig te zijn, hij maakte ze echt: een gevolgtrekking van het realisme. Ondanks al dat vrouwelijk schoon schijnt hij zelf een vrij keurige man te zijn geweest die met vrouwen – ook Morisot – platonische relaties onderhield. Kinderen kreeg hij niet. Zijn Suzanne kreeg wel een zoon, maar was vermoedelijk bezwangerd door Manets vader. 

Al met al kende zijn leven één echte tragiek: zijn miskenning, die trouwens aan het eind van zijn leven  wat bijtrok. Wie op een breukvlak staat tussen twee tijdperken, kan de wending nog meemaken. Manet stierf al op zijn 51e, hoogstwaarschijnlijk aan syfilis, maar maakte wel nog mee dat zijn oude bekende Proust cultuurminister werd. Proust eerde hem met een hoge onderscheiding: hij werd Chevalier de la Légion d'Honneur. Nooit in het leger gevochten, toch een medaille. Dat is achteraf gezien toepasselijk: de term avant-garde, synoniem voor moderne kunst, kwam uit het leger. Zo heette de militaire voorhoede van soldaten die vooruit gingen om vijandelijk terrein te verkennen. Dat heeft Manet geregeld moeten doen. 

Te boek staan als rebel helpt kunstenaars nu bij hun personal branding. Het geeft Joep van Lieshout, Richard Prince, Damien Hirst een zeker aura en dat is te danken aan verguisde genieën als Manet. Maar in Manets tijd kleefde daar nog niets glorieus aan. Enkel vernedering. Mocht er leven na de dood zijn en Manet vanaf een katholiek wolkje naar beneden kijken: laat het hem een troost bieden dat die afkeur definitief voorbij is. Zijn werk in d'Orsay is in onze ogen zo degelijk dat het bijna saai is, net zoals het thema. Manet als uitvinder van de moderne tijd, die opvatting is al zo oud dat er stof op ligt. Gevestigder kan een kunstenaar niet worden. Eindelijk gerechtigheid. 

Manet, Inventeur du Moderne, t/m 3 juli 2011 in het Musée d'Orsay, 1, rue de la Légion-d'Honneur, 75007 Paris. Di-zo 9.30-18.00u., do tot 21.45u. Inl.: www.musee-orsay.fr

sandrasmets.nl / oude kunst / edouard manet