Loading
 
 
sandrasmets.nl / erfgoed / berend hendriks
Reis over een blauwhardstenen rivier
(AMC Magazine mei 2013)

Meteen viel kunstenaar Berend Hendriks (1918-1997) voor het licht, toen hij medio jaren tachtig een kunstwerk mocht maken voor het gloednieuwe AMC-gebouw. Die combinatie van licht met ruimte en klare lijn, dat was toch precies wat de kunst ook al decennia nastreefde? Dat Hendriks voor het licht viel, was te verwachten. Als zoon uit een gereformeerd bosbouwersgezin was hij zijn kunstenaarsloopbaan begonnen in de schilderkunst en glas-in-lood, nadat hij zijn bosbouwopleiding onverwacht voor de kunstacademie had verruild. Met die glas-in-loodkunst kon hij toch alsnog zijn achtergrond dienen, de gereformeerde kerk, al diende hij net zo lief andere gezindten. Dus waarom niet deze seculiere kathedraal van de gezondheidszorg?

Toch besloot Hendriks bij het AMC om het natuurlijke licht niet te kleuren maar te volgen: de zonnestralen vielen het ziekenhuis binnen in een lange gang, die hij besloot te accentueren met een reeks objecten. Hiervoor ontwierp hij vier groepen van stenen beelden – tegels en blokken, verrijzend tot zuilen, alles vierkant en geometrisch uitgedacht, alsof het opsteeg uit het gebouw en er tegelijk mee versmolt.

Eerst wilde hij het buitenlicht door gekleurde prisma's laten vallen: “zodat de zon kleuren op de wanden van de beddehuizen zou schilderen, maar dat is te veel natuur, te veel letterlijkheid en te weinig beeld,” aldus Hendriks in een interview met het blad De Architect in 1986. “Toen kwam het idee van de hemellichamen die om de een of andere onnaspeurbare reden kleur meedelen aan de wanden. De lange lichtstraat is een landschap en een weg tegelijk: een landschap dat een machine voor het licht is – net zoals een natuurlijk landschap dat is – en een reis.”

Die hemellichamen zijn te zien bij de sculpturen op de begane grond, bij de wetenschappelijke afdeling. Het zijn abstracte lichamen: objecten aan staalkabels gespannen, opgebouwd uit stalen driehoekjes in een gedempte grijstint, met slechts toefjes paars en roze. Zo hoog boven die zichtas hebben ze bijna iets weg van de ster die de wijzen naar Bethlehem gidste en ook Hendriks benadrukte reisassociaties met een gedicht dat in het marmer is ingefreesd: “Daarom is in die blauwhardstenen rivier die zich door dat schemerlandschap beweegt, het gedicht Melopee van Van Ostaijen aangebracht. Soms breekt de tekst midden in een woord af – je vraagt je af waar de rest is”. Zo vloeien de woorden door de gang, alsof Hendriks' blokken watergolven zijn, en de gang een blauwhardstenen rivier op weg is naar wereldzeeën.

Die mooie poëzie heeft Hendriks ingelijfd in hoekig kunstwerk, dat net zo functioneel oogt als de architectuur eromheen – al flonkeren fossiele schelpjes in het marmer. Dat maakt dit een schoolvoorbeeld van de omgevingskunst, die in de jaren zeventig en tachtig leidend was in het kunstopdrachtencircuit. Dat bloeide door de percentageregeling die sinds de naoorlogse wederopbouw bestond: bij de bouw van Rijksgebouwen schonk het Rijk (ongeveer) een procent van de bouwsom voor kunst. Academische ziekenhuizen konden daar ook gebruik maken – wat het AMC dankbaar deed.

Het gaf een paar kunstenaars opdracht en haalde Hendriks een toonaangevende omgevingskunstenaar binnen. Samen met Peter Struycken had hij in Arnhem in de jaren zestig de studierichting omgevingsvormgeving gelanceerd, zo een nieuwe generatie kunstenaars klaarstomend voor het bouwlustige Nederland. Behalve als docent bracht Hendriks zijn ideeën in praktijk met opdrachten in het hele land, van geometrische vloerpatronen tot compleet ontworpen buitenterreinen. Deze ontwerpen verklaarde hij desgevraagd met wiskundige formules, want zoiets grilligs en persoonlijks als smaak, daar stelde deze kunst zich boven.

Maar juist doordat deze kunst zich zo nestelde in zijn gebouwde omgeving, zou hij later kwetsbaar blijken. Die gebouwde omgeving verandert - gebouwen worden gesloopt, pleinen heringericht. Dan sneuvelt deze kunst bijna vanzelf, waardoor deze omvangrijke Nederlandse kunstgeschiedenis nu aan het verdwijnen is. Ook Hendriks' kunstwerk stond onder druk door veranderingen in het AMC: de door hem genoemde beddenhuizen zijn daar niet meer, het werk werd ingekapseld door meubels, de gang zelf werd een transportroute. Karren butsten hoekjes van de beelden af.

Maar dit droevige lot zou veranderen, mede dankzij de JCI (Joint Commission International) dat het AMC – als eerste Nederlandse ziekenhuis – een internationaal accreditatiezegel voor patiëntveiligheid en kwaliteitszorg gaf. Drie jaar lang is het AMC op 1200 verschillende aspecten getoetst – ook logistiek. Eén van de eisen was dat Hendriks' beeldengroep zou verhuizen, het stond het transport immers in de weg. Daarmee begon een nieuw traject: een restauratie en een verhuizing. Dat laatste is niet eenvoudig: het haakt aan de omgeving. Maar het lukte. De objecten verhuisden naar een andere as op de begane grond. Nu kunnen ze weer doen wat de maker wilde: de architectuur in al zijn glorie bestendigen en tegelijk de toeschouwer op reis sturen in zijn verbeelding.

 

Het werk is onderdeel van de kunstcollectie van het AMC, de editie van het betreffende tijdschrift is na te lezen op issuu.com

sandrasmets.nl / erfgoed / berend hendriks