Loading
 
 
sandrasmets.nl / 20e eeuw / seurat
Dronken van het licht in Honfleur
(NRC Handelsblad, 24 mei 2014)

“Nu begrijp ik voor het eerst niets meer van U”, schreef Bob Kröller aan zijn moeder Helene Kröller-Müller toen zij in 1922 het schilderij Le Chahut (het rumoer) van Georges Seurat kocht. Hoe kon het dat zijn moeder, die enkel spirituele kunst verzamelde, viel voor een dertig jaar oud schilderij met ordinaire cancan-danseressen? Bobs verontwaardiging, mooi opgetekend in Helene Kröller-Müllers biografie door Eva Rovers, is begrijpelijk. De spirituele verdieping die Helene Kröller-Müller nota bene zo miste bij haar oppervlakkig geachte kinderen – ook Bob – zocht ze in de kunst. Impressionisme was te wuft, expressionisme te persoonlijk, maar daartussen vond ze het symbolisme dat via stileringen de onstoffelijke waarheid achter de banaliteit van alledag zocht. En ja, daar paste de Franse pointillist Seurat bij, die licht in stippen opdeelde om niet alleen de zon te voelen maar ook een hogere waarheid te vangen.

Seurats aanpak is deze zomer te zien in een solotentoonstelling in het Kröller-Müller Museum. Dat is uitzonderlijk: exposities van Seurat zijn lastig te organiseren vanwege zijn kleine nalatenschap. Door zijn bewerkelijke stippeltechniek deed hij soms wel een jaar over een doek – hij hoefde er niet van te leven, rijke ouders – en ook bleef zijn oeuvre klein doordat hij al op zijn eenendertigste stierf. Dat betekende een abrupt einde aan de carrière van een ambitieus en zwijgzaam man, die door zijn hoge hoed en serieuze natuur van Degas de bijnaam 'de notaris' kreeg.

Net als zijn impressionistenvrienden legde Seurat graag het moderne Parijs vast – treinen, stoomschepen, een onaffe Eiffeltoren die hij liet baden in pointillistisch fonkelende zonlicht. 's Zomers ging hij naar de kust om zich 'te bezatten aan het licht' wat verlaten en zonovergoten havengezichten opleverde die ook Helene Kröller-Müller aankocht – beter dan Le Chahut aansluitend op haar meditatieve smaak.

Toch waren juist zijn figuurstukken het meest ambitieus: complexe composities, gestileerde mensfiguren, groot formaat. Hij maakte er maar zes, waaronder Le Chahut. La Grande Jatte – zijn beroemdste figuurstuk – liet Helene Kröller-Müller passeren, te duur (verkocht voor vijftigduizend gulden). Eeuwig zonde. Het kon ook niet worden geleend voor deze tentoonstelling: “Alsof je de Nachtwacht vraagt,” aldus directeur Lisette Pelsers. Wel hangt er een ander doorwrocht figuurstuk, uit Musée d'Orsay: Le Cirque, een soort zusje van Le Chahut. Ze hebben dezelfde acrobatische lijnvoering, opwaartse bewegingsloosheid, warme kleurbalans van complementaire kleurstippen vanuit Seurats natuurkundige visie dat kleur zich in het oog mengt.

Maar als je eenmaal voor die twee figuurstukken staat, zijn ze toch wel heel zonderling: zo schematisch, gekunsteld – je moet ervan houden. Toch is Le Cirque een must en maakt de tentoonstelling compleet genoeg om, ook zonder Grande Jatte, Seurat ten volle te doen begrijpen. De expositie belicht hem van alle kanten: doorwerkte figuurstukken, lichte havengezichten, zwart-witte schetsen. Die tekeningen zijn vaak te rudimentair om te overtuigen, behalve die ene met dat gezicht dat opdoemt uit het donker als een boodschapster van gene zijde. Zo occult zie je de zonnige Seurat niet vaak – toch knap mystiek, hoor Bob.

Seurats pointillisme veroorzaakte een ware stippelmode, in het museum mooi te zien in een nevententoonstelling 'naar Seurat'. Soms werd gestippeld om tot ornamentele stileringen te komen (Jan Toorop), dan weer bijna expressionistisch bruut (Leo Gestel), als lichttoetsen oplossend in leegte (Thorn-Prikker) of zo noest doorstippend (Théo van Rysselberghe) dat je de oneerbiedige gedachte krijgt dat gewoon lijnen best hadden volstaan.

Want hoe mooi zo'n natuurkundig bedachte stippenleer ook klinkt, het gevaar van een keurslijf ligt op de loer. Juist door die nevententoonstelling zie je hoe Seurat dat gevaar beter ontliep dan sommigen. Elk doek gaf hij een eigen stemming waarbij hij behalve het licht ook composities opdeelde, in gestileerde vormen. Seurat geloofde dat de zichtbare wereld een afspiegeling was van een hogere ideeënwereld. Daarom abstraheerde hij het leven van alledag, toevalligheden weglatend, hopend zo die hogere wereld te benaderen.

Dat zie je aan Le Chahut en Le Cirque: alles opgebroken om met lijnen nieuwe ruimtes op te bouwen, perspectieven trotserend, steeds in een uitgebalanceerd kleurenspectrum als een bijna goddelijk licht. Ze ogen zo ambitieus doorwerkt dat je de anekdote gelooft dat Seurat gewicht verloor omdat hij vergat te eten tijdens het schilderen. Nooit deed hij aan sjeu zoals Lautrec die lustig zijn onderwerp in dook en danseressen in grillig zinnelijke tekenlijnen verbeeldde. Misschien past Seurats gereserveerdheid bij hoe hij zelfs zijn minnares altijd verborgen hield voor de buitenwacht. Vlees en bloed ontstijgend, zocht hij het hogere – zelfs bij de cancan. Frivoliteit, die beschuldiging kon Helene Kröller-Müller wel weerleggen.



Seurat, Meester van het pointillisme, 23 mei t/m 7 september 2014 in het Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, Otterlo. Di-zo 10-17u. www.krollermuller.nl/seurat

sandrasmets.nl / 20e eeuw / seurat