Loading
 
 
sandrasmets.nl / 20e eeuw / henry moore
Van cottagetuin naar museumplein
(NRC Handelsblad, 20 juni 2013)

Een orchidee. Een paars tapijt. Nee, het is moeilijk zoeken naar excessen in het woonhuisje van beeldhouwer Henry Moore (1898-1986) in het Engelse plaatsje Perry Green, nu een museum. Het moet er behelpen zijn geweest, in de kamertjes met lage plafonds, eten in het halletje omdat de eettafel in de zitkamer vol stond met zijn snuisterijen – stenen, beeldjes, schelpen, etnografica. Moore was geen drankzuchtige bohemien. Afgezien van het paarse vloerkleed is dit plattelandshuisje de behuizing van een bescheiden echtpaar. Moore was geen drankzuchtige bohemien. Hij dronk vooral thee, op gezette tijden, zoals het een Engelsman betaamt. Jarenlang. Enkel Wimbledon haalde hem uit zijn vaste dagritme.

Maar in één opzicht benutte Engelands beroemdste beeldhouwer zijn geld wel degelijk voor een enorme weelde: het scheppen van een tuin waarin zijn beelden optimaal tot hun recht zouden komen. De cottage waar hij en zijn vrouw Irina hun toevlucht namen toen in 1940 de oorlog uitbrak, had een tijdelijk adres moeten zijn. Na een roemrijk kunstenaarsbestaan in het bruisende Londen van de jaren dertig, toevluchtsoord voor kunstenaars die door Hitler en Stalin op drift waren geraakt, brandde in 1940 zijn Londense atelier af door een granaatscherf. Hij en Irina besloten voor even onderdak te zoeken op het stille platteland van Hertfordshire.

Maar ze bleven. Voor altijd. En Moore besloot op zeker moment om wat extra hectares te kopen. En nog eens. En nog eens. Totdat hij uiteindelijk een landgoed bezat waar hij zijn sculpturen kon laten neervlijen zoals het die beelden het beste uitkwam. Een intieme mens annex zuilvorm staat er in een soort groen hofje, terwijl hij voor een enorme poortvorm een brede laan liet aanleggen. De beste ereplaats schonk hij zijn bronzen Large Reclining Figure (1984), negen meter breed, op een eigen heuvel achter een onmetelijk grasveld. De afstand geeft het beeld rust, een gevoel van eeuwigheid, alsof ze er al sinds pre-Christelijke tijden ligt. Eenzaam, majestueus, versmelt deze dame met de natuur waarvan de bomen in de herfst haar bronsttinten echoën.

Dat wordt een cultuurshock in Amsterdam waar een ander afgietsel van deze Large Reclining Figure (1984) vanaf deze week in een stadstuin ligt, die van het Rijksmuseum. Moore doet de aftrap voor een reeks jaarlijkse zomertentoonstellingen die het Rijksmuseum wil organiseren in de tuin, gratis toegankelijk. Buiten staan twaalf van zijn beelden, in het atrium nog twee. Behalve het museum is ook de tuin gerenoveerd, op basis van de oorspronkelijke ontwerpideeën van 1901. Kunst tonen was hierin altijd een uitgangspunt. De tuin toont verschillende stijlen – landschapsstijl, Frans classicisme – met daarin zeldzame bomen, stadspoorten, tuinbeelden, de nodige architectonische relicten en dan hebben we het nog niet eens over de twee kilometer buxushagen of de speeltoestellen van Aldo van Eyck.

Directeur Wim Pijbes had nog een lijntje met de Henry Moore Foundation, door de Mooretentoonstelling die hij in zijn vorige functie als Kunsthaldirecteur had georganiseerd. Die stichting op Moores landgoed leent veel kunst uit, zelfs al heeft het nog een prijs uitgeloofd staan wegens de diefstal in 2005 van een sculptuur ter waarde van drie miljoen pond, vermoedelijk voor een paar honderd pond omgesmolten door koperdieven. En anders dan bij bijvoorbeeld Rodin van wie nog werken zijn bijgegoten, geldt voor Moore: op is op.

Toch zien ze eruit alsof ze tegen een stootje kunnen, Moores kolossen. Het Rijksmuseum toont zijn liggende vrouwen en wat abstracte vormen zonder voor- of achterkant, zoals het holle Locking Piece (1963-65), dat in de verte doet denken aan de gewrichten of stenen die Moore in zijn atelier verzamelde. Precies definieerbaar werden zijn beelden nooit: hij wilde ze een zeker mysterie meegeven, dingen mochten nooit zijn wat ze lijken te zijn. Hij liet daarom vormen versmelten, geometrisch en organisch, mens en natuur. Het gevoel van tijdloosheid dat hij zo schiep was ook een reactie tegen de oorlog die zijn leven zo beïnvloed heeft. De beelden herinneren aan andere tijden, met hun leunende houdingen gebaseerd op de Chac Mool beelden uit Maya-cultuur van ver vóór die destructieve twintigste eeuw.

Maar zijn Large Reclining Figure ligt er in Amsterdam minder tijdloos bij dan die in Engeland. In de drukke stad en uitgevoerd in wit polyester oogt ze killer, gehaaider, op haar hoede in plaats van ontspannen liggend. Een omgeving is heel bepalend, dat heeft Moore goed gezien: tussen de fietsers en getoeter en platte gazons lijkt de oermoeder hier meer een femme fatale. Toch demonstreert ook zij Moores stijl van organische holtes die hij schiep met langzaam strelen, dit wat holler, dat wat vlakker, een evenwicht zoekend tussen massa en leegte. Dat modelleren deed hem denken aan de rugmassages die hij vroeger zijn moeder gaf, vertelde hij eens in een interview. Hij trok veel naar zijn moeder, al heeft ook zijn afstandelijke vader hem geen strobreed in de weg gelegd om kunstenaar te worden. Zijn vader werkte in de mijnen en probeerde met avondstudies een beter leven te bewerkstelligen – vergeefs. Dan alsjeblieft mijn acht kinderen, laat hen wel slagen in het leven. Dat lukte. Een van hen werd zelfs miljonair – de beeldhouwer.

Want Moore werd schathemeltjerijk. De Britten sloten hem in hun hart toen ze zijn oorlogstekeningen zagen van Engelsen in schuilkelders, prachtige combinaties van somberte en hoop. In 1951 weigerde hij een ridderschap: dat zou te veel de indruk wekken dat hij gevestigd was. Altijd bleef hij keihard werken – later met assistenten – waardoor hij de Henry Moore Foundation maar liefst 14.000 kunstwerken naliet (waarin ook het aantal grafiekbladen aantikt). Maar één serie bleef nagenoeg onuitgevoerd: zijn stedelijke decors. Bang dat zijn beelden in steden te zien zouden zijn tegen posters en chaos ontwierp hij als achtergrond glooiende muurreliëfs. Maar die waren veel te duur en te ingewikkeld. Dat bleek in Rotterdam bij de uitvoering van 'Wall Relief No.1' – een misleidende titel want een nummer 2 zou nooit volgen.

Daar moet Moore thuis dagelijks aan zijn herinnerd: in zijn cottage, dat poppenhuisje, hangt een van de twintig ontwerpen voor die reliëfdecors, in papiermaché. Net om een hoekje van de smalle trap tegenover de kapstok, waar nog altijd een tweedcolbert hangt. Maar gelukkig, door het raampje ernaast zag hij toch altijd maar weer het prachtigste decor dat hij zich kon wensen: de lucht, het groen, de bomen. Zelfs die rotschapen die hij aanvankelijk zo had verfoeid, schonk hij er een eigen beeld van lobbige oervormen waaronder de kuddes konden schuilen in die glooiende weides die hem zijn leven lang zouden blijven inspireren.



Henry Moore, t/m 29 september 2013 in de tuin van het Rijksmuseum, Museumstraat 1, Amsterdam. Dagelijks 9-18u. www.rijksmuseum.nl (foto: Knife Edge Two Piece, 1962-65, brons)

sandrasmets.nl / 20e eeuw / henry moore